Praktische info   

Voor kinderen

Nieuws

Vacatures

Doelstelling

Historiek

Tevredenheidsmeting

 

 

 

 

 

 

 

 

Doelstelling

De dienst diagnostiek richt zich tot kinderen van 6 tot en met 15 jaar die op één of ander vlak (schools, sociaal, emotioneel, gedragsmatig,...) problemen ondervinden in hun functioneren en hiervoor nog niet de juiste hulp gevonden hebben. Vaak gaat het over kinderen waarbij al heel wat geprobeerd is maar waar onduidelijk blijft wat er precies aan de hand is.  

In de eerste plaats probeert de dienst diagnostiek een genuanceerd beeld van het kind te verkrijgen met aandacht voor zowel zwakke als sterke kanten. Het uiteindelijke doel van het onderzoek is de aanpak van het kind (ouders, school, hulpverlening,...) zo goed mogelijk af te stemmen op de noden van het kind.

Om dit te bereiken, vinden we een uitgebreid onderzoek, dat naast het afnemen van 'testjes', ook investeert in relatie-opbouw, gesprekjes, spel en informatie uit de context, noodzakelijk. Bovendien vinden we het belangrijk dat elk kind uitgebreid besproken wordt op onze teamvergadering voor er een besluit en advies geformuleerd wordt.

Indien er bij de aanmelding of in de loop van het onderzoek aanwijzingen zijn dat er ook bijkomend kinderpsychiatrisch onderzoek nodig is, wordt onze kinderpsychiater ingeschakeld teneinde het beeld te vervolledigen en eventueel uitsluitsel te geven over de aanwezigheid van een bepaalde kinderpsychiatrische stoornis die het functioneren van het kind belemmert.  

Op het einde van het onderzoek wordt het verslag toegelicht in een adviesgesprek. We proberen hierbij concrete handvaten aan te reiken en verwijzen eventueel door voor meer gespecialiseerde hulpverlening. Een korte nazorg met het oog op overleg met school of CLB, psycho-educatie of doorverwijzing is steeds mogelijk. 

Visie op Diagnostiek

Definitie Klinische Psychodiagnostiek (Houben,1986): “De oordeelsvorming aangaande psychische disfuncties of gedragsmoeilijkheden, waarbij de benadering van het probleem op de wetenschappelijke psychologie gebaseerd is en waarbij het essentieel is de persoon of het systeem zodanig te begrijpen dat uit de structurering van diens probleem relevante aanwijzingen voor therapie voortvloeien. Deze oordeelsvorming is een procesmatig gebeuren

dat plaatsvindt en evolueert in de interactie tussen cliënt (systeem) en klinisch psycholoog.”

De manier waarop dit in de praktijk gebeurt, verschilt nogal eens van setting tot setting. De Diagnostische Cyclus zoals uitgewerkt door De Bruyn et al. (1995, 2003) wordt echter algemeen als basis van de diagnostische besluitvorming beschouwd. De Diagnostische Cyclus stelt 4 basisvragen centraal : klachtanalyse, probleemanalyse, verklaringsanalyse en indicatieanalyse. Pameijer en van Beukering (2004) baseerden zich op deze cyclus om hun model van Handelingsgerichte Diagnostiek bij onderwijsproblemen te ontwikkelen. In samenwerking met Schulpen en Van de Veire maakten bovengenoemde auteurs in 2007 een vertaling naar de Vlaamse onderwijssituatie in het boek ‘Handelingsgericht werken op school. Samen met leerkracht, ouders en kind aan de slag’.

In het netwerkoverschrijdend project ‘PRODIA’ (Protocollering Diagnostiek) vormt deze manier van werken de basis voor de verdere uitwerking van diagnostische protocollen voor het onderwijs. Scholen en CLB’s kunnen op deze manier de mogelijkheden en beperkingen van leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften in kaart brengen en gefundeerde zorgadviezen geven.

De Handelingsgerichte Diagnostiek gaat uit van vijf basisprincipes:  

1. Systematische procedures

2. Gericht op advisering

3. Transactioneel referentiekader (dit kind in deze situatie)

4. Samenwerking school, ouders, kind

5. Aandacht voor positieve kenmerken

Binnen de Dienst Diagnostiek grijpen we terug naar de vier basisvragen van de Diagnostische Cyclus (De Bruyn, 2003) en dit met oog voor de basisprincipes van de Handelingsgerichte Diagnostiek (Pameijer en van Beukering, 2004).

Wat betreft de ‘klachtanalyse’ is het cruciaal een duidelijk beeld te krijgen van de vragen vanuit de ouders, het kind en de verwijzer. Het soort vragen die gesteld worden zijn in te delen in een vijftal categorieën: onderkenning (wat?), verklaring (waarom?), predictie (toekomst?), indicatie (welke hulp?) en evaluatie (heeft het geholpen?).

In het kader van de Handelingsgerichte Diagnostiek zien we dat de indicatie-vraag meer en meer op de voorgrond komt te staan (zie tweede basisprincipe: gericht op advisering).

Dit is een positieve evolutie zeker indien er hierdoor ruimte wordt gecreëerd om ook te beschermende factoren binnen het kind, het gezin en de omgeving in kaart te brengen. Op deze manier kan er een advies (indicatie) gegeven worden dat niet alleen gebaseerd is op de beschrijving van het probleem maar ook rekening houdt met de competenties van de cliënt en zijn context (zie de basisprincipes: transactioneel en aandacht voor positieve kenmerken).

Om tot een goede klachtanalyse te komen is het dus noodzakelijk om in eerste instantie de hulpvragen van cliënt en verwijzer goed te beluisteren en te verkennen. Hiertoe is overleg met de verschillende betrokkenen noodzakelijk. Ook duidelijkheid rond het opzet van het diagnostisch onderzoek is in deze fase onontbeerlijk. De cliënten en de verwijzer hebben het recht duidelijk te weten welke onderzoeksvragen in het onderzoek opgenomen zullen worden en welke weg hiertoe bewandeld zal worden.

 

Op het vlak van ‘probleemanalyse’ is het van belang dat de diagnosticus zoveel mogelijk informatie verzamelt over het functioneren van het kind in al zijn aspecten. Dit betekent ook dat er gekeken wordt naar de huidige afstemming van de omgeving op de noden van het kind (basisprincipe : transactioneel). De term ‘probleemanalyse’ kan ertoe leiden dat er eenzijdig gekeken wordt naar de problemen die het kind heeft, terwijl het ook noodzakelijk is in kaart te brengen waar de mogelijkheden van het kind en zijn omgeving liggen (basisprincipe : aandacht voor positieve kenmerken). Het spreekt voor zich dat hiertoe voldoende informatie-verzameling uit verschillende bronnen noodzakelijk is (basisprincipe : samenwerking school, ouders, kind). 

 

Bij de ‘verklaringsanalyse’ dient de diagnosticus een aantal hypothesen te formuleren. Hiertoe heeft hij niet alleen een ruime kennis nodig van bestaande ‘stoornissen’ maar dient hij ook voldoende kennis te hebben van mogelijke alternatieve verklaringen voor het probleemgedrag. Concreet betekent dit dat de diagnosticus het beeld dat hij bij de probleemanalyse van de cliënt gekregen heeft, gaat aftoetsen ten aanzien van een aantal mogelijke hypothesen rond het ontstaan en voortbestaan van de moeilijkheden. Deze hypothesen kunnen betrekking hebben op het bestaan van een bepaalde stoornis en/of op een samenspel van persoonlijke en omgevingsfactoren.

 

In de ‘Indicatiefase’ tot slot komt de diagnosticus tot een geïntegreerd beeld (basisprincipe : interactioneel) van de cliënt waarbij het van belang is de voorgestelde interventie niet enkel af te stemmen op de aanwezige problematiek maar ook rekening te houden met de gevonden sterktes (basisprincipe : aandacht voor positieve kenmerken) binnen de persoonlijkheid van het kind, de mogelijkheden van het gezin en de aanpassingsmogelijkheden van de ruimere omgeving (basisprincipes : gericht op advisering, samenwerking school, ouders en kind).

Het doorlopen van deze verschillende fasen dient op een gestructureerde en inhoudelijk gefundeerde manier te gebeuren (basisprincipe : systematische procedures). Hiervoor doen we een beroep op het diagnostisch proces zoals o.a. beschreven in ‘Tot de puzzel past’ van Claes et al., 2006.

Hierbij wordt gebruik gemaakt van een hypothesetoetsend model waarbij na exploratie een diagnostisch scenario wordt gemaakt waarin de belangrijkste onderzoeksvragen en hypothesen geformuleerd worden en vervolgens met behulp van een passend instrumentarium getoetst worden. Op deze manier komen we tot een geïntegreerd beeld van de jongere en zijn omgeving waarin er duidelijke aanwijzingen staan voor de aanpak van de moeilijkheden.

 

 

 

Laatst bijgewerkt: 21 juni 2010

Centrum Orthopedagogische Behandeling vzw Dienst Diagnostiek, Sint-Geertruiabdij 6, 3000 Leuven, 016/31.99.99, wegbeschrijving, karenbauwens@gmail.com